Blijvende frisheid en originaliteit volgens Alejo Pérez

‘Alles voelt organisch en natuurlijk aan’

door Piet De Volder, di 25 apr 2023

Alejo Pérez Portret

In het seizoen 2023-2024 dirigeert muziekdirecteur Alejo Pérez – naast Mozarts La Clemenza di Tito – ook Jenůfa van Leoš Janáček, een componist die hem na aan het hart ligt. ‘Ik heb een vurige liefde voor Janáček opgevat. Ik ben van plan al zijn opera’s te dirigeren. Voor mij behoort Janáček samen met Richard Strauss en Giacomo Puccini tot de grootste operacomponisten uit de 20e eeuw.’

Jenůfa was de opera die de Tsjechische componist zijn internationale doorbraak bracht. Hij was net geen vijftig toen het werk in 1903 in première ging. Bij het beluisteren word je getroffen door het originele geluid en de blijvende frisheid van de muziek. Denk alleen al aan de pulsering van de xylofoon helemaal in het begin van de partituur…

Alejo Pérez: Inderdaad. Van bij de eerste noten ervaar je de unieke signatuur van Janáček. Op een anekdotisch niveau evoceert de xylofoon het malen van de molen waarrond de handeling zich afspeelt. Zelf associeer ik het motief vooral met het noodlot en de obsessieve jaloezie van het personage Laca. Het is als een geluid dat uit de diepere lagen van zijn onderbewustzijn komt. Dat wordt duidelijk eens je in het verhaal zit. De roffel van de xylofoon wordt een soort oorworm. Je kan het vergelijken met het hamerende geluid van een specht, het doorboort je oor. Het orkestrale palet dat Janáček gebruikt, is erg specifiek. Hij werkt met pure, sterke kleuren en vermijdt verdubbeling van de zanglijnen zoals we vaak in traditionele, romantische opera vinden. Daarbij komen zijn bijzondere persoonlijke omgang met harmonie en de zang die zich helemaal focust op het ritme van de spreektaal.

Janáček zelf had het over ‘spraakmelodieën’. Hij entte zijn vocale muziek volledig op het ritme en de intonatie van de Tsjechische taal.

Je hebt nooit het gevoel dat hij woorden op muziek zet. Het is eerder omgekeerd: de woorden zelf vragen uitdrukkelijk om bepaalde melodische wendingen of melodische cellen. Daaruit ontwikkelt hij dan zijn motieven. Hij werkt vanuit hele kleine eenheden, soms alleen maar intervallen, waaruit patronen ontstaan die meer en meer ruimte gaan innemen en zich obsessief doorzetten. Ik vergelijk het graag met de manier waarop dromen werken. Alles voelt organisch en natuurlijk aan.

Je hebt al enige ervaring met Janáčeks opera’s.

Lang geleden werkte ik mee aan een Janáčekfestival in de Opéra de Lyon en daarna dirigeerde ik er Uit een dodenhuis. Sinds het festival heb ik een vurige liefde voor Janáčeks opera’s opgevat. Ik ben van plan alle grote opera’s van de componist te dirigeren en als alles goed gaat, zal ik in de nabije toekomst ook Katja Kabanová dirigeren in de Semperoper in Dresden. Voor mij behoort Janáček samen met Richard Strauss en Giacomo Puccini tot de grootste operacomponisten uit de 20e eeuw.

‘Wat Janáček en Puccini gemeen hebben, is hun bijzondere affiniteit met vrouwenrollen. Je voelt dat vrouwenrollen de beide componisten meer inspireren dan mannenrollen’

— Alejo Pérez


Het bijzondere is dat Janáček een laatbloeier was in opera en zijn markantste werken schreef wanneer hij over de zestig en zeventig was. Zijn opera’s kregen pas hun plaats in het internationale operarepertoire vanaf de jaren 1950, met dank ook aan het intensieve werk van maestro Charles Mackerras. Hoe zie je zijn opera’s stilistisch? Zitten ze op de overgang van laat-romantiek naar modernisme?

Qua conceptie zijn zijn opera’s zeker modernistisch. Jenůfa is bijvoorbeeld een van de eerste opera’s die op een tekst in proza zijn gebaseerd. Dat terwijl men vroeger vertrok van libretti in verzen. Dit was in die tijd heel nieuw. Er is de invloed van de Moravische volksmuziek, maar ook die werkt door op een heel persoonlijk niveau. Vergeten we niet dat de compositie van Jenůfa in de jaren 1890 is begonnen. Wat Janáček op harmonisch vlak deed, was zijn tijd ver vooruit. Ook al ontstond Jenůfa ongeveer gelijktijdig met Debussy’s Pelléas et Mélisande – een opera die evenzeer berust op een tekst in proza en ‘spraakmelodieën’ –, we bevinden ons in de periode dat een latere vernieuwer als Arnold Schönberg met Verklärte Nacht en Gurre-Lieder nog laat-romantisch schreef en zowat acht jaar voordat Stravinsky’s zijn grensverleggende balletten Petroesjka en Le Sacre du printemps voor Les Ballets Russes componeerde. Ik beschouw Janáček vanaf Jenůfa als een componist die met zijn beide voeten stevig in een nieuw tijdperk staat.

Jenufa externproductiebeeld 1
© Guillermo Mendo

‘Janáčeks muziek ziet er op papier soms radicaal en arbitrair uit, zeker als het over tempowisselingen gaat, maar het klinkende resultaat is heel natuurlijk’

— Alejo Pérez

Toch klinken hier en daar invloeden van de laat-romantische Puccini door. Zeker wanneer je denkt aan de overweldigende emotionele finale van Jenůfa. Janáček, zo is bekend, was een vurig bewonderaar van Madama Butterfly.

Dat klopt. Op een moment zoals in de finale hoor je het expansieve karakter van Puccini’s melodische stijl. Wat Janáček en Puccini ook gemeen hebben, is hun bijzondere affiniteit met vrouwenrollen. Je voelt dat vrouwenrollen de beide componisten meer inspireren dan mannenrollen. Ze zijn muzikaal rijker en complexer dan de mannenrollen en psychologisch gelaagder. Overigens kan je hetzelfde zeggen over Richard Strauss, die ook fantastisch voor de vrouwenstem schreef.

Janáčeks muziek staat bekend om haar abrupte overgangen en scherpe contrasten. De unendliche Melodie van Wagner is hem vreemd. Zijn vormentaal wordt vaak als kubistisch omschreven.

Toch voel ik bij Janáček zoiets als de plasticiteit van de droom. Zo kan bijvoorbeeld een begeleidend melodisch patroon geleidelijk aan aan betekenis winnen en plots helemaal op de voorgrond komen. Je kan het met een natuurkracht vergelijken die plots ontketend wordt, met een orkaan die onverwacht op ons afkomt. Dat effect bereikt de componist door een zeer nauwgezette constructie die als het ware ondergronds werkt. Als luisteraar heb je het niet door.

Jenufa externproductiebeeld 3
© Guillermo Mendo

Wat je beschrijft, heeft veel te maken met Janáčeks gebruik van ostinato patronen. Melodische of ritmische eenheden worden obsessief herhaald in plaats van ontwikkeld.

Weet je, Charles Mackerras – de Janáček-specialist van weleer –, noemde de componist ‘de eerste minimalist’! (lacht)

Het innovatieve karakter van Janáčeks opera’s maakte vaak dat tijdgenoten bij uitvoering het nodig vonden ‘correcties’ aan te brengen, zeker als het ging om de orkestratie.

Janáčeks muziek ziet er op papier soms radicaal en arbitrair uit, zeker als het over tempowisselingen gaat, maar het klinkende resultaat is heel natuurlijk. Jouw vergelijking met het kubisme gaat zeker op. Bij Janáček worden dezelfde dingen vaak vanuit verschillende oogpunten bekeken, vanuit verschillende prisma’s. Dat is een werkwijze die kubistisch aandoet. Er zijn ook verrassende veranderingen van toonaard wat maakt dat de zangers dezelfde melodische lijnen met vaak heel andere kleuren zingen.

Jenufa externproductiebeeld 2
© Guillermo Mendo

‘Janáček is een van de weinige componisten wiens muziek je na twee à drie seconden herkent, ook al is het een werk dat je nooit eerder hebt gehoord. De puurheid van zijn stijl en van zijn eigen stem is uniek’

— Alejo Pérez

Niet alleen Jenůfa maar ook andere opera’s van Janáček zoals Katja Kabanová, Het sluwe vosje en De zaak Makropoulos behoren vandaag tot de operacanon. Wat verklaart het grote internationale succes van die werken?

Eens de initiële moeilijkheden van de werken inzake uitvoering waren opgelost, kon men niet om hun absolute en fenomenale originaliteit heen. Janáček is een van de weinige componisten wiens muziek je na twee à drie seconden herkent, ook al is het een werk dat je nooit eerder hebt gehoord. De puurheid van zijn stijl en van zijn eigen stem is uniek. In al de opera’s die je noemt, gaat dat samen met een ijzersterke dramatiek. Tekst en muziek zitten elkaar op de huid. Dat is een verschil met Wagner, bij wie je in sommige opera’s momenten hebt die muzikaal weergaloos zijn maar dan ondanks het libretto. Of neem bepaalde opera’s van Richard Strauss die je vooral wil dirigeren om de prachtige muziek maar niet per se om het verhaal.

Je hebt steevast het gevoel dat Janáček oprecht van zijn personages houdt.

Ja, niet alleen van de goede maar ook van antipathieke personages. Hij gaat met iedereen muzikaal mee, in alle zwakheden, sterkten en hartstochten. Dat is in Jenůfa zeker het geval met de ziekelijk jaloerse Laca.

Foto Alejo Pérez: © Filip Van Roe

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

Volg ons