HADEWIJCH
In het tweede deel gebruikt Andriessen maar één tekst, en wat voor een: het zevende visioen van Hadewijch van Antwerpen. Zij was een 13e-eeuwse mystica, de belangrijkste schrijfster uit onze middel-nederlandse literatuur. In haar visioen, gezongen door een sopraan en door het koor, beschrijft ze indringend hoe ze een ontmoeting met God heeft gehad. In verschillende gedaanten openbaarde Hij zich aan haar. Hadewijch heeft dat zo lichamelijk en liefdevol beleefd dat er een onmiskenbare, haast knetterende erotische spanning uit het visioen spreekt. Andriessen stelde zich het tweede deel van De Materie daarom voor als iets dat het midden houdt tussen een mystieke opgang en de versmelting van twee geliefden. In zijn verbeelding zag dat er als volgt uit. Langzaam, voetje voor voetje, schuifelt Hadewijch door een kerk naar voren. Gaandeweg probeert de werkelijkheid om haar heen – de wereld, de kerk, haar eigen lichamelijkheid – haar telkens weer met de voeten op de grond te krijgen, maar Hadewijch gaat meer en meer op in haar beleving. Wanneer ze het altaar bereikt heeft en bij het hoogtepunt van haar visioen is aanbeland, klinkt muziek die simpelweg hemels is: bijna gewichtloos, mysterieus en ongekend mooi. Volgens dirigent Bas Wiegers – en velen zullen hem bijtreden – de prachtigste noten die Andriessen ooit geschreven heeft.