• Seizoen 26/27
  • Interview

De zoektocht naar een eigen danstaal

Interview Anne Teresa De Keersmaeker

door © Piet De Volder, ma 3 aug 2026

Onder de noemer À la flamande gaan we dit seizoen op zoek naar de veelkleurige wortels van onze Vlaamse identiteit en hoe die zo’n bijzondere, internationaal erkende kunst hebben voortgebracht – die springlevend is. Choreografe en associate artist van OBV Anne Teresa De Keersmaeker vertelt over haar inspiratiebronnen en voorbeelden en hoe ze als jonge danseres haar eigen danstaal ontwikkelde.

ANNE TERESA, IN HET BEGIN VAN DE JAREN 1980 NAM JE CARRIÈRE EEN VLIEGENDE START, ALS DANSERES, CHOREOGRAFE EN ARTISTIEK LEIDER.

In 1980 bracht ik mijn eerste choreografie, Asch – ik was toen twintig. In 1982 volgde Fase, Four Movements to the Music of Steve Reich. Een jaar later ontstond het gezelschap Rosas dat debuteerde met Rosas danst Rosas. Tot vandaag heb ik daar de artistieke leiding van. Het ging inderdaad allemaal erg snel... Op dat moment wilde ik me niet zozeer profileren als choreografe. Ik heb me altijd meer danseres dan choreografe gevoeld. Bovenal was ik gedreven om een eigen danstaal te ontwikkelen en ik ging eigenzinnig te werk. Muziek was van bij het begin mijn eerste partner. Ik had het geluk omringd te zijn door fantastische kunstenaars, zoals Thierry De Mey, die behalve cineast ook componist en musicus is. Via hem en anderen heb ik een levendig contact onderhouden met film, theater, literatuur en beeldende kunsten. Die invalshoeken hebben me enorm gevoed.

JE WORDT GEZIEN ALS EEN VAN DE PIONIERS VAN VLAAMSE GOLF, DE VERNIEUWINGSBEWEGING IN DANS EN THEATER IN DE JAREN 1980-’90. NAAST JOU WORDEN CHOREOGRAFEN EN THEATERMAKERS ZOALS WIM VANDEKEYBUS, ALAIN PLATEL, JAN FABRE EN IVO VAN HOVE DAARONDER GEREKEND. VOELDE JE JE OP DAT MOMENT VERBONDEN MET DIE KUNSTENAARS?

Om eerlijk te zijn, nee. Maar dat had alles te maken met het tijdsverloop van de Vlaamse golf. Wim Vandekeybus debuteerde in 1987 met What the Body Does Not Remember. Het werk van Alain Platel heb ik pas veel later leren kennen. Een iconische productie als Bernadetje stamt bijvoorbeeld uit 1996. In 1982, het jaar van Fase, brak Jan Fabre door als performance kunstenaar met de marathonvoorstelling Het is theater zoals te verwachten en te voorzien was.

DE VLAAMSE GOLF WAS GEEN ARTISTIEKE GROEP NAAR JOUW GEVOEL?

Zo ervaarde ik het niet. Ik voelde me wel deel van een community in Brussel. Die avant-garde scène werd onder meer bepaald door het collectief Schaamte en Maatschappij Discordia. Het was het begin van het Kaaitheater, met Hugo De Greef als drijvende kracht. Daar stonden naast Fabre en Rosas ook Jan Decorte en choreograaf Steve Paxton op het programma. Wat ons verbond, zowel voor dans als theater, was dat we buiten het bestaande circuit werkten. De internationale theater avant-garde kon je ook op andere plekken in Brussel meemaken. Naast het Kaaitheater waren er de Hallen van Schaarbeek, waar ik Dodenklas van Tadeusz Kantor heb gezien, en Théâtre 140. Bob Wilson en The Wooster Group deden Brussel aan en in die tijd maakte ik in De Munt kennis met Pina Bausch, voor wie ik altijd een grote bewondering heb gehad. Haar werk, dat zich inschreef in de traditie van het Duitse expressionisme, verschilde enorm van de Amerikaanse dans. Ook het werk van William Forsythe heb ik in die periode leren kennen.

JE BENT JE LOOPBAAN BEGONNEN MET EEN KLASSIEKE DANSOPLEIDING.

Ik heb een intense dansopleiding genoten die eerst op klassieke leest geschoeid was. Het was een immens geluk dat mijn moeder me zo gesteund en geholpen heeft en dat ik erg inspirerende leerkrachten heb gehad. In de dansschool die mijn moeder had opgericht in Wemmel, nodigde ze Lieve Curias uit van de Balletschool in Antwerpen. Zij heeft ons niet alleen klassiek ballet bijgebracht maar ook moderne dans, improvisatie en jazzballet. Ze nam ons mee naar voorstellingen van het Ballet van Vlaanderen en van Béjarts Ballet van de XXste Eeuw.

JE VOLGDE OOK LES AAN HET MUDRA IN BRUSSEL, DE LEGENDARISCHE DANSOPLEIDING VAN MAURICE BÉJART.

Ik heb er twee jaar gestudeerd. Mudra deelde de dansstudio’s met het Ballet van de XXste eeuw. Ik heb daar schitterende balletdansers aan het werk gezien zoals Jorge Donn, Suzanne Farrell en Rita Poelvoorde. Het verlangen om niet alleen een klassieke opleiding te hebben én mijn interesse in moderne en postmoderne dans hebben me uiteindelijk naar New York gebracht, waar ik aan de Tisch School of the Arts gestudeerd heb. Ik was bovenal geboeid door de Amerikaanse choreografen zoals Trisha Brown, Steve Paxton en Lucinda Childs. Op een moment heb ik besloten om de spiegel dicht te doen. In een balletopleiding moet je voor de spiegel dansen en word je getraind in een strikt vastgelegde bewegingstaal. Toen ik daarmee gestopt was, vertrouwde ik op mijn gevoel en ben ik een eigen danstaal gaan opbouwen, letterlijk stap voor stap. Zo is Violin Phase ontstaan, mijn eerste solo, gevolgd door Come Out en Piano Phase. Samen met Clapping Music vormden die choreografieën Fase, Four Movements to the Music of Steve Reich. Ik was niet alleen behoorlijk eigenzinnig maar ook een workaholic.

Bausch, Forsythe en Brown

‘De danstaal en het oeuvre die Pina Bausch heeft opgebouwd met haar gezelschap blijven uniek. Haar Sacre du Printemps is nog altijd incontournable’

DE KEERSMAEKERS ERVARING ALS JONGE DANSERES EN CHOREOGRAFE WERDEN LATER DOORGEGEVEN IN P.A.R.T.S. (Performing Arts Research and Training Studios), DE DANSOPLEIDING DIE ZE IN 1995 OPRICHTTE SAMEN MET BERNARD FOCCROULLE, DE TOENMALIGE INTENDANT VAN DE MUNT. OP HET CURRICULUM VAN DE STUDENTEN STOND, NAAST DE KEERSMAEKERS OEUVRE, RONKENDE NAMEN ALS TRISHA BROWN, WILLIAM FORSYTHE EN PINA BAUSCH. HET ZIJN DRIE CHOREOGRAFEN DIE HAAR BIJZONDER INSPIREERDEN/INSPIREREN EN DIE VANDAAG GEREGELD GEDANST WORDEN DOOR OPERA BALLET VLAANDEREN.

In de beginperiode van P.A.R.T.S. ben ik vertrokken van mijn eigen ervaringen als danseres, studente, choreografe en toeschouwster. Bausch, Forsythe en Brown waren voor mij grote voorbeelden. Hun namen staan elk voor een heel eigen universum, een uitzonderlijke manier om dans vorm te geven in de tweede helft van de 20e eeuw. Ze waren erg bezig met het ontwikkelen van een eigen visie op dans, een eigen schriftuur en een dansvocabularium. Dat geldt voor het Tanztheater van Pina Bausch, waarin dans en theater een eenheid worden. Forsythe vertrok expliciet van zijn ervaringen als klassieke balletdanser. Hij heeft de klassieke danstaal op een schitterende wijze verruimd en opengebroken. Trisha Brown behoorde tot de post-Cunningham generatie (de Amerikaanse generatie die kwam na choreograaf Merce Cunningham (1919-2009), red.). Ze heeft ook intens samengewerkt met beeldende kunstenaars zoals Robert Rauschenberg en Bruce Nauman.

ZEKER PINA BAUSCH WAS EEN ICOON VOOR JE GENERATIE. HAAR OEUVRE BLIJFT FASCINEREN EN MENSEN ONTROEREN.

De danstaal en het oeuvre die ze heeft opgebouwd met haar gezelschap blijven uniek. Haar Sacre du Printemps is nog altijd incontournable. Vanuit dans heeft Pina een heel eigen theatervorm ontwikkeld die ons als publiek voortdurend bevraagt over wie we zijn, waar we vandaan komen, waar we naartoe gaan. Ze was omringd door uitzonderlijke dansers en medewerkers zoals kostuum- en decorontwerpers Rolf Borzik en Peter Pabst en kostuumontwerpster Marion Cito. Met hen heeft Pina een universum ontworpen dat bij momenten shakespeariaans is en een uitzonderlijke dramatische slagkracht heeft. Ik herinner me dat Pina met haar productie Nelken op de Cour d’honneur in Avignon toen we Rosas danst Rosas daar uitbrachten in 1983. Dat zijn gebeurtenissen die bijblijven.

Op 22 september verschijnt Wanneer ze danst. Gesprekken met Anne Teresa De Keersmaeker, een interviewboek van de Franse journaliste Laure Adler bij uitgeverij Manteau.