Vlaanderen loven
do 23 apr 2026
Twee prangende vragen drongen zich telkens weer op tijdens de jarenlange research voor, en het schrijfwerk aan, De draaischijf – mijn roman over culturele collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog in Antwerpen en omstreken. Met de historische feiten en de literaire verwerking ervan hadden die niets te maken.
Dat soort vragen en probleemstellingen waren er natuurlijk ook. Bij de vleet. In hoeverre, bijvoorbeeld, kan en mag een romanschrijver zich laten inspireren door de levens van Vlaamse regisseurs, actrices, collaborateurs, dirigenten en verzetslui? Zonder zich evenwel volledig te houden aan de feiten omtrent hun levensloop en hun entourage? En mag hij dat allemaal zomaar uitspoken onder de paraplu van poëtische vrijheid en romaneske Dichtung?
Het antwoord luidt uiteraard volmondig ‘ja’ en wordt al eeuwenlang bevestigd door tal van kunstwerken, niet alleen in romanvorm. Friedrich Schillers Don Karlos, een drama in verzen over de 16e-eeuwse Spaanse tiran Filips II, vormde de basis voor de gelijknamige opera van Giuseppe Verdi (Don Carlos). Historici zijn het, zacht gezegd, niet altijd eens met zowel de gesproken als de gezongen podiumrepresentatie van de Spaanse despoot. En evenmin met het aandeel van zijn zoon Don Carlos, ‘Der Infant von Spanien’. Die wordt door Schiller opgevoerd als een even onstuimige als fijnzinnige idealist die tegelijk rampzalig verliefd is op zijn stiefmoeder, Elisabeth van Valois, die zelf een dochter is van de machtige Franse koning en de rijke Catharina de’ Medici.
Aanvankelijk was die Elisabeth aan het Spaanse hof opgedoken als verloofde van kroonprins Carlos, maar al snel werd ze hem afhandig gemaakt – en pas als derde echtgenote, nota bene – door de imperialistische tiran die papa Filips ook op het huishoudelijke slagveld bleek te zijn. Bij Schiller, niet toevallig een boegbeeld van de Sturm und Drang, krijgt die driehoeksintrige tussen vader, zoon en stiefmoeder buitenproportioneel veel aandacht. Zeker in het licht van de massale gruwelijkheden die papa Filips tezelfdertijd liet aanrichten in de opstandige Lage Landen. Die demarches doen in bloeddorst en fanatisme denken aan de langdurige represailles in het huidige Gaza, aangericht door de apartheidsregering van de Israëlische premier Bibi Netanyahu.
Bij geschiedkundigen zou het amoureuze knutselwerk aan het hof van een Spaanse monarch hooguit een voetnoot opleveren. In het specifieke geval van Filips II zouden ze er misschien een bijkomend bewijs in zien van zijn geopolitieke vernuft. In zijn tijdvak stond de echtverbintenis als instituut los van passie en kalverliefdes. Het was de voortzetting van grondroof met andere middelen. Titels, tronen, land en kapitaal, díe moest je versmelten. Vier lippen en twee harten liever niet. Deed je dat toch, dan riskeerde je, uit persoonlijke sentimentaliteit, het staats- en familiebelang te schaden. Dat diende enkel gericht te zijn op machtsuitbreiding. Meer nog dan religie vormde het gearrangeerde huwelijk het fundament van de Europese aristocratie.
Toch zullen verstandige historici nimmer het belang en de kwaliteit betwisten van Don Carlos. Als toneelstuk en als opera, weliswaar. Een kunstwerk is geen geschiedenisboek. Dat onderscheid siert en bevestigt beide in hun bestaan.
Dat onderscheid geldt uiteraard ook voor de ‘history plays’ van Christopher Marlowe en William Shakespeare, handelend over antieke Britse koningen. En bij uitbreiding voor alle moderne versies ervan, zoals de tv-serie The Crown. Of een film als The Favourite, geregisseerd door de altijd heerlijk onrespectvolle Yorgos Lanthimos.
De kwestie blijft overigens niet beperkt tot protagonisten uit een ver verleden. Geportretteerden kunnen nog in leven verkeren en bijgevolg zelf de kans krijgen om hun goedkeuring dan wel – meestal – hun afgrijzen uit te schreeuwen aangaande een artistiek product waarvan zij het onderwerp vormen. Een van de smakelijkste voorbeelden is een film van Ali Abbasi, The Apprentice (2024), waarin de jonge Donald Trump als leerling-tovenaar langzaam de meerdere wordt van zijn duivelse idool, Roy Cohn. Een corrupte zakenadvocaat en de voormalige rechterhand van communistenjager Joseph McCarthy. Cohn hielp deze senator bij het vervolgen, bezwadderen en uitrangeren van zwarte leiders, mensenrechtenactivisten en homoseksuelen. Tegelijk was Cohn zelf een flamboyante duikelnicht die tot op zijn sterfbed ontkende dat hij, als een van de eerste New Yorkers, kapotging aan aids. (‘Ik ben geen homo. Ik heb seks met mannen. Dat zijn twee totaal verschillende dingen.’) De belangrijkste levensles van Cohn aan de jonge Trump luidde dan ook: ‘Geef nooit je ongelijk toe. Nooit!’
Om deze nu al te lange inleiding te besluiten zou ik toch nog snel een voorbeeld ‘van bij ons’ willen aanhalen, De Leeuw van Vlaanderen.
Een kunstwerk is geen geschiedenisboek. Dat onderscheid siert en bevestigt beide in hun bestaan
SOKKEL EN BORDJES
Als beenhouwerszoon wiens vader een trots lid was van de lokale Jan Breydel-gezellen kwam het voor mij, enkele jaren geleden, als een schok dat meerdere historici na grondig onderzoek onthulden dat Jan Breydel, gedoodverfd leider van de machtige slachtersgilde, niet heeft meegevochten tijdens de Slag der Gulden Sporen in 1302.
Hendrik Conscience, onze onvolprezen literaire stamvader, had in zijn beroemdste (maar niet beste) roman nochtans een heldhaftige sleutelrol voorzien voor Breydel, tot in de voorste linies toe, als professionele slachter der fransozen. Er bestaan ook academische kwatongen die beweren dat Breydel niet eens een slager was, maar dat hij een heel ander, goddank nog altijd volksverbonden, beroep uitoefende – dat van brouwer. Daarbovenop zijn er geschiedkundigen die beweren dat op de Kortrijkse Groeningekouter drie Jan Breydels hebben meegevochten, afstammend uit een en dezelfde wijdvertakte familie. Maar de echte, invloedrijke Jan zou pas later op de historische voorgrond zijn getreden, om pas dan al zijn andere familieleden voorgoed uit het zicht te ellebogen.
Wie was dan de ware Jan? Historicus Jan Dumolyn, die meewerkte aan zowel de officiële Canon van Vlaanderen als aan het tv-programma Het verhaal van Vlaanderen, probeerde in Gazet van Antwerpen (23 januari 2023) de gordiaanse knoop als volgt door te hakken. ‘Breydel was zeker betrokken bij de slag, en niet alleen om varkensvlees te leveren aan de troepen. Maar Conscience heeft hem geromantiseerd. Hij zocht een tegenpersonage voor Pieter de Coninck. Vergelijk het met Laurel en Hardy. Om een karakter in de verf te zetten, zet je er iemand totaal anders naast. De brutale beenhouwer die perfect met messen overweg kon, tegenover Pieter de Coninck, de rustige en verstandige wever.’
Dit salomonsoordeel biedt voor- en nadelen. De Brugse voetbaltempel kan met een gerust hart zijn heroïsche benaming, Jan Breydelstadion, bewaren. De verwijzing naar een verwoede middeleeuwse slachter, die tevens grossier was in vers varkensvlees, kan zelfs helpen om bezoekende ploegen en hun hooligans af te schrikken.
Maar het zegevierende monument op de Grote Markt van Brugge, dat Pieter de wever en Jan de slager schouder aan schouder afbeeldt terwijl ze samen een groot slagzwaard vasthouden, verdient op zijn sokkel een corrigerend bordje. Daarop zou niet alleen vermeld kunnen staan dat het gedenkteken destijds mee werd bekostigd door het jonge Belgische vorstenhuis, en misschien zelfs deels uit eigen zak werd opgehoest door die andere beroemde slachter, koning Leopold II. De belangrijkste vermelding zou moeten waarschuwen dat het hier gaat om een romantisch-nationalistisch tafereel, dat zijn oorsprong niet vond in gedegen academisch onderzoek, maar in een ooit veelgelezen en hooggeprezen roman.
Met zo’n bordje erbij mag het standbeeld evengoed overeind blijven staan als dat voetbalstadion, ook al zijn alle historici ervan overtuigd dat Breydel en De Coninck niet altijd onafscheidelijk samen opereerden. Zo was Breydel hoegenaamd niet, en De Coninck juist wél, betrokken bij de Brugse Metten, dat andere wereldberuchte wapenfeit tijdens de Vlaamse Volksopstand, een soort gewapende intifada die liep van 1297 tot 1305.
Een paar maanden voor de Guldensporenslag werd in de Brugse binnenstad, bij nacht en ontij en tijdens een vooraf perfect gecoördineerde actie, de keel doorgesneden van zo’n honderdtwintig slapende bezetters. Omdat ze bij hun bruuske ontwaken twee woorden (schild en vriend) niet konden uitspreken zoals Bruggelingen dat doen. Laat ook die gebeurtenis een waarschuwing vormen voor bezoekende hooligans. En voor iedereen, Belg of buitenlander, die de finesses van het Brugse dialect niet onder de knie heeft en het toch aandurft een overnachting te boeken in een van onze mooiste Vlaamse steden.
Al was Breydel er dus alleen van ver bij betrokken, toch hoeft ook die bloedige nachtelijke aanslag niets te veranderen aan dat standbeeld op de markt van Brugge. Breydel en De Coninck? Laat ze voor altijd schouder aan schouder staan. Ik supporter sowieso voor Conscience en juich dus het toelaten van verbeelding toe, tegen de alleenheerschappij van exacte wetenschap in. Toch waar het gaat om onze herdenkingscultuur. En zolang we maar de beide verschijningsvormen van onze memorie helder blijven onderscheiden. De ene emotioneel, de andere rationeel, samen: het hele plaatje. Boek én studie, standbeeld én bordje.
Ik juich het toelaten van verbeelding toe tegen de alleenheerschappij van exacte wetenschap in. Toch waar het gaat om onze herdenkingscultuur. En zolang we maar de beide verschijningsvormen van onze memorie helder blijven onderscheiden. De ene emotioneel, de andere rationeel, samen: het hele plaatje. Boek én studie, standbeeld én bordje
HUMANIORA
Vergeef me de bovenstaande uitweidingen. Als ik over Vlaanderen en zijn historie mag schrijven, laat ik me wel vaker ver meevoeren. Terug nu naar de twee vragen uit de aanhef van dit stuk. Ze bleven zich, zoals gezegd, aan me opdringen tijdens het werken aan De draaischijf.
De eerste vraag knaagde aan een vooroordeel dat ik, tot dan toe onbewust, had gekoesterd aangaande kunst. Alle kunst. Noem het naïviteit of stompzinnig blind geloof in de eigen overtuigingen, maar ik was er altijd van uitgegaan dat het wezen van kunst uiteindelijk, bij iedereen, zou samenvallen met haar aloude aanspraken. Die had ik, aanvankelijk met enige puberale tegenzin, leren kennen in het katholieke college waar ik schoolliep. In een richting die toen nog gewoon ‘de humaniora’ mocht heten. Een term die de lading dekte en geen leeg potjesjargon was om indruk te maken op Latijnonkundige collega’s of dito journalisten.
Humanior. Meer mens. Dat moest en zou je worden, als adolescent. Dankzij een algemene vorming die jou zo breed mogelijk wilde opvoeden en doen openbloeien. In plaats van je zo gezwind en volgzaam mogelijk klaar te stomen voor de arbeidsmarkt, zoals dat tegenwoordig te vaak gebeurt, met medeplichtigheid van de bevoegde ministeries. Opvoeding anno nu? Dat is een belegging geworden in becijferbare rentabiliteit: het kind als start-up. Opgericht door zijn investerende ouderpaar, hyperactief in te lopen tegen zijn dertigste, niet zelden volledig afgeschreven na een eerste burn-out op zijn veertigste. Tel uit je winst.
Er zijn mij recente gevallen ter ore gekomen van leerlingen die, aan nochtans prestigieuze scholen, afstudeerden en amper één opstel per jaar hadden moeten schrijven, amper literatuur gedoceerd hadden gekregen en nooit in een schoolse toneelvoorstelling hadden meegespeeld. De lessen wiskunde en bedrijfsbeheer dikten daarentegen ieder jaar aan. Zo’n overdreven economistisch keurslijf trekt mettertijd een wissel op een hele gemeenschap. Je ontmoedigt niet ongestraft de individuele creativiteit onder het mom dat onze collectieve arbeidsproductiviteit daar later enorm van zal profiteren. Op de lange termijn is productiviteit juist meer gebaat met speelse, zelfs dwarse verbeeldingskracht dan met slaafse inzetbaarheid, die tot verveling en verkalking leidt. Noem het nostalgie of zelfverheerlijking, maar je smoort niet zonder gevolgen de immateriële ambities die het onderwijs en de schone kunsten wel nog mochten bezitten toen ik er als jonge snuiter mee in aanraking kwam.
Opvoeding anno nu? Dat is een belegging geworden in becijferbare rentabiliteit: het kind als start-up. Opgericht door zijn investerende ouderpaar, hyperactief in te lopen tegen zijn dertigste, niet zelden volledig afgeschreven na een eerste burn-out op zijn veertigste. Tel uit je winst
Gebald en ongetwijfeld ietwat voorspelbaar geformuleerd komen die immateriële ambities hierop neer: het goede, het schone en het ware. Drie idealen die elk op zich onhaalbaar zijn, zowel fysiek als geestelijk, als je tenminste de lat constant op de hoogste stand legt.
Maar het streven, zeg maar: het springen op zich, is als les belangrijker dan telkens weer over diezelfde levenloze lat proberen te gaan zonder ze te raken. Dat is net het verschil tussen het kind als industriële start-up en het kind als unieke, onhandelbare puistenkop en druktemaker. Laat die halfwassen toch springen in het wilde weg. Over, onder, naast of desnoods pal op die lat. Moedig ze aan, dat wel. Wijs ze op geijkte wegen en vaste aanlooproutes. Maar laat ze genoeg vrijheid om daar eigenwijs van af te wijken en te springen of te duiken of te vallen zoals ze willen. En zie dan waar ze, tot eigen en ieders verbazing, alsnog terechtkomen.
Ik besef terdege dat dit een veel te idyllische voorstelling van zaken is, zeker komend van een bejaarde en kinderloze disconicht. Maar ik verkies zo’n poëtische evocatie boven een droog pedagogisch recept. De poëzie ervan hielp me bovendien mijn eerste onaangename conclusie nog wat langer voor me uit te schuiven. Hier komt ze.
Ik had altijd geleefd en gewerkt in de overtuiging dat de kennis en studie van klassieke, moderne en hedendaagse cultuur onvermijdelijk zou leiden tot nog meer humaniora. Universele en tijdloze meesterwerken vormden op zich reeds, dacht ik, een remedie tegen fascisme, superioriteitswaan en groepsvernedering. Tegen minderhedenvervolging, brute deportaties en berufsverbot. Tegen álle machtsmisbruik dat werd gepleegd in de naam van raszuiverheid en de ideologie van Blut und Boden.
Omdat ze afwijkende vrijheid vreesden: daarom – dacht ik – gooiden de nazi’s gedurfde romans en onwelgevallige studies op de brandstapel. Daarom ook – dacht ik – betichtten de Führer en zijn knokploegen zoveel schitterende artiesten van kosmopolitisme, decadentie en verraad aan het Volk-met-een-hoofdletter. En om dezelfde reden – dacht ik – bestrijden nog steeds alle autocratische en godsdienstwaanzinnige regimes ‘ontaarde kunst’. Ze zien daar een bedreigend vaccin in. Tegen het virus dat zij zo graag belichamen en dat ze alles willen laten overwoekeren wat hun niet bevalt.
Was het maar waar, dat kunst per definitie een vaccin zou zijn. Was het maar waar, dat alle kunstenaars minstens een symptoomverklikker en misschien wel een medicijn vormen tegen de zwarte koorts van de antidemocratie. De waarheid is anders en erger.
Behoorlijk wat van mijn eertijdse collega-artiesten legitimeerden in WO II het ondemocratische virus, en niet alleen door lippendienst te bewijzen aan de Nieuwe Orde. Ze hielpen het ook metterdaad te verspreiden. Via cenakels en sleutelposten die ze bleven bestieren, probleemloos in dienst van de bezetter. Ook als andere collega’s daardoor werden gebroodroofd of weggevoerd.
Zijzelf werden niet weggevoerd. Zij kregen veeleer promotie en een hoger loon.
Ze bleven theaterdirecteur of werden hoofddirigent, ze bleven directeur-generaal van het onderwijs of werden hoofd van de nationale radio-omroep. Ze namen het jargon van de bezetter over, ze echoden zijn propaganda, ze plooiden zich naar zijn ideologische dwanggedachtes en bij de meesten vereiste dat geen extra lenigheid. Ze hadden zich al in de jaren dertig prima kunnen warmlopen in de Zwarte Leer. Vaak dankzij zogenaamd culturele genootschappen die smeergeld hadden toegestopt gekregen vanuit nazi-Berlijn.
Toen de bezetting een feit was, gingen ze voluit. Als leraar begonnen ze hun lessen in de humaniora met de Hitlergroet, als directeur plaatsten ze een buste van de Führer op de schoorsteenmantel in hun bureau, als diensthoofd ontsloegen ze joodse ondergeschikten en als leidinggevende hielpen ze ook de advocatenbalies en universiteiten te zuiveren van ‘volksvreemde elementen’. Voor de Antwerpse razzia’s in de zomer van 1942 knepen ze de ogen dicht. Ze dirigeerden in de Vlaamse Opera wel nog altijd Mozart en Wagner. Gehuld in het uniform van de Algemeene SS-Vlaanderen, die ze zelf mee hadden opgericht. En ze namen, in dat uniform, diep buigend het applaus in ontvangst van het talrijk opgedaagde publiek.
Niettemin handelden zulke collaborateurs volgens henzelf nog steeds onder het driedubbele vaandel dat ook ik altijd zo hoogachtte: het goede, het schone en het ware. Zij vulden die aspiraties gewoon anders in. Alles wat hún politieke overtuiging stutte, was vanzelf goed, schoon en waar. In feite was het nog erger. Dezelfde meesterwerken die ik nagenoeg aanbad, van de oude Grieken tot Vergilius en Ovidius, Hadewijch tot Erasmus, Dante tot Cervantes, Tijl Uilenspiegel tot Reinaert de vos, noem maar op – al die meesterwerken noemden en roemden zij als het bewijs van de westerse superioriteit in de rangorde van rassen en volkeren. Ze zagen er bovendien hun hoogstpersoonlijke leermeesters in, de basis van hun artistieke raison d’être.
Net zoals ik en míjn geestverwanten dat doen. Terwijl wij ons juist afkeren van illiberale en koloniale ideologieën, en in dezelfde meesters de onderbouwing vinden voor onze afkeer.
Was het maar waar, dat kunst per definitie een vaccin zou zijn. Was het maar waar, dat alle kunstenaars minstens een symptoomverklikker en misschien wel een medicijn vormen tegen de zwarte koorts van de antidemocratie. De waarheid is anders en erger
Dat inzicht leverde geen kleine geestelijke kortsluiting op. Temeer omdat de eerlijkheid gebiedt toe te geven dat onze collaborerende kunstbroeders er niet per se slechtere kunst van gingen maken, of ze nu schrijver waren, schilder of componist.
Dat geldt niet voor Hitler zelf. Hij was een landschapsschilder, maar goddank meer een kliederaar dan een genie of zelfs maar een degelijke vakman. Datzelfde kan helaas niet gezegd worden van – ik beperk me hier voor het gemak tot één buitenlands voorbeeld – de Noorse schrijver Knut Hamsun. Hij was wel degelijk een literair genie, zelfs een voorloper van het modernisme en van wat later de stream of consciousness zou worden genoemd. Zijn romans, zoals Hoe het groeide of Honger, zijn even invloedrijk gebleken als het oeuvre van Henrik Ibsen of Fjodor Dostojevski. Tegelijk was Hamsun een hartstochtelijke aanhanger van de nazi’s en dus ook van Vidkun Quisling, de collaborerende Noorse minister-president die een paar maanden na de bevrijding en een snel proces zou eindigen voor het vuurpeloton. De hoogbejaarde Hamsun zelf zou, zonder berechting, eerst gedwongen opgenomen worden in een psychiatrische instelling. Later werd hij alsnog veroordeeld. Niet tot de kogel, maar tot een torenhoge boete.
Schuld of schaamte heeft hij nooit laten blijken. Terecht, volgens sommige negationistische fans. Zij houden vol dat hij alleen maar een principiële dwarsligger en poseur was. Zo gaat het wel meer, met fans van aperte collaborateurs.
Aangaande Hamsun valt die stelling nochtans moeilijk vol te houden. In 1943 bezocht hij propagandaminister Joseph Goebbels en schonk hem naderhand per post, uit bewondering voor Hitlers verwezenlijkingen, de eremedaille die hem in 1920 was overhandigd in het concertgebouw van Stockholm, samen met de Nobelprijs Literatuur. Het was dus geen primeur, toen de Venezolaanse oppositieleidster María Corina Machado in januari 2026 haar Nobelprijsmedaille wegschonk aan een buitenlands staatshoofd, Donald Trump. Al ging het daar niet om de Nobelprijs voor Literatuur, maar om die voor de Vrede. In beide gevallen een even hallucinante als gênante vertoning.
Nog in 1943 zocht Hamsun ook Hitler zelf op. In diens ‘adelaarsnest’, Villa Berghof op de Obersalzberg. Een ontmoeting die naar verluidt moeizaam verliep gezien de stokdoofheid van Hamsun en de staccatospreekstijl van de Führer. Dat Hamsun zijn gastheer bleef onderbreken kwam de sfeer evenmin ten goede. Hitler overhandigde zijn gast al snel een gouden swastikamedaille en brak de ontmoeting vervroegd af.
Kort na de dood van Adolf schreef Knut een lijkrede die meer een eloge leek dan de klacht van een afgewezen aanbidder of de grap van een onverbeterlijke poseur. ‘Hitler was een krijger. Een krijger voor de mensheid en een profeet van het evangelie van gerechtigheid voor alle volkeren.’
Voor de Antwerpse razzia’s in de zomer van 1942 knepen ze de ogen dicht. Ze dirigeerden in de Vlaamse Opera wel nog altijd Mozart en Wagner. Gehuld in het uniform van de Algemeene SS-Vlaanderen, die ze zelf mee hadden opgericht. En ze namen, in dat uniform, diep buigend het applaus in ontvangst van het talrijk opgedaagde publiek
OMGEKEERDE BEELDENSTORM
In Vlaanderen wijdde vooral een derderangsdichter als Ferdinand Vercnocke eloges aan de Führer, toen die nog in het zenit van zijn macht verkeerde. ‘Kunstenaar-staatsman, ziener, man der daad’, zo ving Vercnocke een van zijn lofzangen aan. ‘Veldheer en held, mens méér dan mens / Ons hebt gij niet verwonnen, doch bevrijd.’
Een ander letterkundig lichtgewicht, dat in de zwarte zuil der incivieken werd opgehemeld als ware hij Voltaire en Jean Racine in één soutane bijeengepropt, was kapelaan Cyriel Verschaeve. Als priester-dichter bejubelde hij de spirituele lotsverbondenheid en superieure cultuur van alle Groot-Germanen. En als onvermoeibaar pleitbezorger van het Vlaams Legioen, dat kanonnenvlees leverde voor het oostfront, ontmoette ook hij meermaals hooggeplaatste nazi’s. Onder hen Heinrich Himmler, pas een klein jaar vóór de Duitse capitulatie. Terwijl de vliegende bommen in het bevrijde Antwerpen al vierduizend doden hadden gemaakt, probeerde Verschaeve de SS-Reichsführer, tevens architect van de Endlösung, ervan te overtuigen de westerse beschaving alsnog te redden van de ondergang, en wel door het christendom eindelijk te verzoenen met het nationaalsocialisme. Himmler brak naar verluidt op zijn beurt de ontmoeting vervroegd af.
Er waren ook belangrijke vaderlandse schrijvers die aanpapten met de moffen. Het wrangste voorbeeld is Filip De Pillecyn, vaak en niet onterecht ‘de prins der Vlaamse Letteren’ genoemd. Ooit een verstokt pacifist en fel criticaster van het Belgische kolonialisme. Later ook auteur van boeken als Mensen achter de dijk, een onterecht vergeten meesterwerk, dat hem in de Vlaamse literaire genealogie tussen grootheden als Gerard Walschap en Louis-Paul Boon plaatst.
Dat meesterwerk schreef hij in de cel, waar hij vertoefde van 1945 tot 1949. In feite was hij tot tien volle jaren veroordeeld, als een der meest uitgesproken culturele voortrekkers en bepleiters van de Nieuwe Orde, als stichter en/of redacteur van meerdere Duitsgezinde bladen, en vooral als directeur-generaal van het middelbaar onderwijs voor heel België, onder wiens verantwoordelijkheid joodse leerlingen en leerkrachten waren weggezuiverd.
Net als Knut Hamsun ontmoette ook De Pillecyn Goebbels, op diens uitnodiging. Dat was in 1941 en tijdens een gratis propagandareis naar Duitsland, samen met Nederlandse en Vlaamse collega’s. Doel was de samenwerking tussen het Derde Rijk en alle Dietse kunstenaars te versterken door cultuurkamers op te zetten en door een Groot-Germaans Europa, met bijbehorende nationaalsocialistische grondslag, ook cultureel, te propageren.
De verleiding is groot om dieper in te gaan op elk van die drie gevallen — Vercnocke, Verschaeve en De Pillecyn. Maar dat zou te ver voeren. Ik heb ze hier enkel nodig om de tweede vraag te illustreren die me dwarszat bij het werken aan De draaischijf. Het is een vraag die niet alleen artiesten, journalisten of politici, maar alle burgers zich kunnen stellen. ‘Wat zou ik zelf hebben gedaan, in die oorlogsomstandigheden?’
Het Verzetsmuseum in Amsterdam – in Antwerpen is het nog steeds wachten op zo’n instelling – wordt in hoofdzaak bezocht door laatstejaarsleerlingen en het gooit hun bij het binnenkomen gelijk drie mogelijke antwoorden voor de voeten. ‘De nazi’s bezetten je land – wat doe jij? Meewerken, verzet plegen of zwijgend afzijdig blijven?’
Van die laatste mogelijkheid maakten misschien wel de meeste Vlaamse kunstenaars gebruik. De grote Willem Elsschot was zo iemand. Al bleef hij daarom niet gespaard van kritiek. Vanwege dat zwijgen, maar nog meer vanwege de sympathieën die hij alsnog uitte, kort na de oorlog, en nog lang na de ‘repressie’. Die maatregel werd in Nederland en Duitsland trouwens accurater denazificatie genoemd. Ondanks de blijvende bewondering voor zijn werk werden die naoorlogse demarches hem kwalijk genomen door menig auteur en columnist. Johan Anthierens, bijvoorbeeld. En ook Jeroen Brouwers, die als driejarig kind in Java samen met zijn moeder was weggevoerd naar het beruchte interneringskamp Tjideng, opgezet door de Japanse bondgenoten van de nazi’s.
‘Elsschots onbesproken gedrag gedurende de Duitse bezetting van België [staat vast]’, schreef Brouwers in ‘Het Vlaamse vlakgom’, een uitvoerig artikel dat eerst verscheen in De Groene Amsterdammer (3 april 1996) en later werd opgenomen in vele verzamelbundels. ‘Maar daarna? Elsschots vers over [de ter dood veroordeelde collaborateur] August Borms, zijn vers voor [de in ere herstelde collaborateur] Edgar Boonen, zijn veneratie voor [de aartscollaborateur] Cyriel Verschaeve, zijn brief aan [de latere Vlaams Blok-stichter] Karel Dillen: stuk voor stuk zijn het jammerlijke misstappen.’
Daarna volgde het vaak geciteerde slotoordeel van Brouwers over Elsschot. De bewonderaar over de grootmeester, de vakman over het lichtend voorbeeld, de schrijver over de collega: ‘Men kan ook fout zijn ná de oorlog.’
Ik weet niet hoe het met u zit, maar ik aarzel om te speculeren over wat ik destijds zou hebben gedaan, als burger en als kunstenaar. De terugwerkende verbeeldingskracht werkt niet. Wie weet zeker hoe hij of zij zou reageren, oog in oog met de ware repressie: die van de Nieuwe Orde? Geconfronteerd met maatschappelijke uitsluiting en mogelijk geweld? Op de huid gezeten door de fanatiekste zwarthemden, met hun dwingende eisen op het gebied van censuur en verplichte volksverbondenheid? In het diepst van zijn gedachten is ieder mens een held, tot de realiteit zich aandient. De verleiding van collaboratie zou ik aan mezelf voorbij hebben laten gaan, dat maak ik me toch wijs. Maar metterdaad verzet plegen? Zou ik daarvoor niet domweg te laf zijn geweest?
Dit weet ik echter wel, met stelligheid. We mankeren vandaag niet alleen een verzetsmuseum in de stad waar verzetslui een cruciale rol hebben gespeeld: zij lieten mee de belangrijkste doorvoerhaven van West-Europa onbeschadigd in handen vallen van de geallieerden. Terwijl diezelfde verzetslieden jarenlang machteloos hadden moeten toezien hoe meer dan dertienduizendvijfhonderd joodse medeburgers werden weggevoerd, net als duizenden ‘Rijksvijanden’ en politieke gevangenen. De meesten van hen zouden de oorlog niet overleven.
Wat we behalve zo’n museum gek genoeg ook mankeren, niet alleen in Antwerpen maar overal te lande, zijn gedenktekens zoals het standbeeld van Breydel en De Coninck in Brugge. Monumenten en herdenkingsplaquettes die, eindelijk en op veel symbolische openbare plaatsen, eer en lof betuigen aan de Vlamingen die in de Tweede Wereldoorlog wel degelijk durfden over te gaan tot verzet. Desnoods gewapend en met bloedvergieten erbij. Zoals eertijds die slager en die wever dat ook al deden.
Enige romantiek hoeft ook hier niet te ontbreken. Realisme is zelden aan standbeelden besteed. Dus laat ook hen maar schouder aan schouder poseren. Of ze nu ‘in het echt’ aan elkaar geklonken waren, dan wel naast elkaar zijn gezet voor het gemak van de gezamenlijke vertelling. Deze: dat er ook veel Vlamingen bestonden die lijnrecht en principieel tegen de Duitse onderdrukker in zijn gegaan, met gevaar voor eigen leven.
Ik weet niet hoe het met u zit, maar ik aarzel te speculeren over wat ik destijds zou hebben gedaan, als burger en als kunstenaar. De terugwerkende verbeeldingskracht werkt niet. Wie weet zeker hoe hij of zij zou reageren, oog in oog met de ware repressie: die van de Nieuwe Orde?
Het voordeel is dat er bij zulke beelden weinig extra bordjes met waarschuwingen nodig zullen zijn. Het opschrift ‘Helden van het verzet’ kan volstaan. Naast uiteraard hun namen, hun levensdata en – belangrijk als ultieme drijfveer tegen het vergeten – de manier waarop ze om het leven zijn gebracht. Geëxecuteerd, verhangen, onthoofd, doodgemarteld, vergast, van uitputting gecrepeerd, op de vlucht neergeschoten, zogenaamd uit een raam gevallen…
Misschien moet ons ministerie van Onderwijs aan zo’n omgekeerde beeldenstorm zijn medewerking verlenen, voor de gelegenheid fusionerend met het ministerie van Toerisme. Want niet alleen in de opvolginstituten van onze vroegere humaniora’s ontbreekt het aan parate kennis, zeker aangaande WO II. Die blijft in onze regio nog vaak te fragmentair en doelbewust wazig. Terwijl zoveel historisch materiaal klaarligt om heel wat Vlamingen gepast te gedenken en te loven.
Antwerpen | Gent
De Draaischijf
Steven Prengels / Koen Tachelet / Peter Van den Begin / Tom Lanoye