- Seizoen 26/27
- Column
Wat smeedt Vlaanderen?
door Sibo Kanobana / portretfoto: © Joris Casaer, do 23 apr 2026
Wat betekent het vandaag om een ‘Vlaamse’ opera te maken? Het gaat, denk ik, niet over een kunstwerk dat Vlaanderen bevestigt als louter zuiver of onschuldig, maar een dat durft te graven in de morele, politieke en historische lagen van deze boeiende plek van kruisbestuiving en geweld. Der Schmied von Gent blijkt zo’n opera, precies omdat hij weigert Vlaanderen als puur, ondubbelzinnig of afgebakend te tonen.
Centraal staat de figuur van Smee: smid, geus, opportunist, kapitalist. Al die dingen tegelijk. Geen held, maar een knooppunt van tegenstrijdigheden. Verzetsstrijder én collaborateur. Hij verzet zich inderdaad tegen onderdrukking en terecht, maar hij profiteert er tegelijk ook van. Hij is slachtoffer van macht, maar grijpt zelf de macht in zijn voordeel zodra hij kan. In de dramaturgische lezing van Ersan Mondtag wordt Smee na zijn dood zelfs de belichaming van de onderdrukte die tegelijk ook schuld draagt voor koloniale gruwel: verstoten door hemel én hel. Dat is geen gratuite provocatie, maar een scherp historisch inzicht. De koloniale geschiedenis is immers geen randverhaal, maar diep verankerd in de recente Vlaamse geschiedenis en die geschiedenis bestaat niet steeds op een eenduidige manier uit good guys tegenover bad guys.
Het tijdperk van de Vlamingen
Historisch onderzoek toont aan hoe de emancipatie van de Nederlandstalige bevolking in België, de zogenaamde ‘Vlamingen’, nauw verweven is met het koloniale project. In de 19e eeuw werden Vlamingen systematisch geïnferioriseerd: uitgesloten van macht, zelfs als ‘primitief ras’ beschreven in pseudo-wetenschappelijk onderzoek, en hun taal sowieso weggezet als louter geschikt om te spreken aux animaux et aux domestiques, en dus ongeschikt voor wat gold als ‘hoge cultuur’ en ernstig bestuur. Die structurele uitsluiting beperkte de sociale mobiliteit binnen België zelf. De kolonisatie van Congo eind 19e eeuw bood een alternatieve ruimte voor de Vlaming. Vlamingen waren er daarom sterk oververtegenwoordigd, vooral als missionarissen en lagere koloniale ambtenaren. De Vlaming was de ‘kleine blanke man’ die diep in het Congolese binnenland werd gestuurd. Die aanwezigheid was zo alomtegenwoordig dat de koloniale periode vandaag in het Lingala bekendstaat als tango ya Baflama: het tijdperk van de Vlamingen.
De ambiguïteit maakt de opera ongemakkelijk, maar precies daarom ook noodzakelijk, bevrijdend en verrijkend
De Vlaming was namelijk de witte man met wie de zwarte Congolees over het algemeen eerst mee te maken had. Via deelname aan het koloniale apparaat konden Vlamingen een machtspositie innemen die in België onbereikbaar bleef. Door actief deel te nemen aan de onderdrukking van een andere bevolking verwierven ze toegang tot de westerse bourgeois norm, eerst als witte man in Congo, vervolgens als legitieme Vlaming in België. De uitbreiding van sociale en taalkundige rechten in Vlaanderen werd bovendien mede ondersteund door de economische opbrengsten van de koloniale exploitatie van Congo. Terwijl rechten in België geleidelijk werden uitgebreid voor de gemarginaliseerde Vlaming, werden ze in de kolonie aan zwarte onderdanen systematisch ontzegd. Vlaamse welvaart en sociale bescherming waren dus voorwaardelijk en bleken in belangrijke mate afhankelijk van de koloniale onderneming.
De sporen daarvan zijn vandaag nog altijd zichtbaar. Vlaamse politieke belangen worden te vaak voorgesteld als tegengesteld aan die van geracialiseerde migranten. Vlaamse identiteit verschijnt daarbij als een ordelijke, hardwerkende, normatief ‘witte’ persona, waarnaast niet-Europese migranten als storend of bedreigend worden gezien. Dit denkkader kan slechts begrepen worden vanuit een koloniale geschiedenis waarin Vlamingen, ooit zelf gemarginaliseerd en onderdrukt, een legitieme status konden verwerven als onderdrukker. Een hedendaagse analyse van het Vlaams-zijn mag daarom niet losstaan van dit verleden. De marginalisering van Vlamingen en de daaropvolgende erkenning als respectabele Europese bevolkingsgroep is historisch tot stand gekomen via uitsluiting en ontmenselijking van anderen. Dat schuurt met het dominante emancipatieverhaal, dat Vlaanderen graag voorstelt als arm maar rechtvaardig, onderdrukt maar eerlijk, cultureel miskend maar moreel superieur. Wat dat verhaal verzwijgt, is dat Vlaamse emancipatie – net zoals de emancipatie van tal van traditioneel gemarginaliseerde Europese bevolkingsgroepen – zich jammer genoeg voltrok binnen de koloniale logica, niet erbuiten.
Vlaanderen heeft altijd bestaan vanuit meertaligheid, culturele meervoudigheid en verbondenheid met andere werelden. Cultureel gezien zijn we allemaal bastaarden
Een nieuw alooi
In Der Schmied von Gent wordt dit zichtbaar via het personage Astarte, die Smee toegang geeft tot de ‘schatten van Congo’. Als erotische en demonische figuur belichaamt zij het koloniale verbeeldingsapparaat, waarin verlangen en geweld, begeerte en ontkenning samenvallen. Die ambiguïteit maakt de opera ongemakkelijk, en precies daarom ook noodzakelijk, bevrijdend en verrijkend. Ze dwingt ons Vlaanderen niet te denken als een homogeen eendimensionaal geheel, maar als een historisch voorwaardelijk, samengesteld en ambigu proces.
Dat geldt ook voor onze taal. Het Nederlands is geen neutraal instrument, maar draagt sporen van macht en uitsluiting. Wie spreekt, wordt gehoord; wie afwijkt, moet zich verantwoorden. Tegen die achtergrond is de keuze van Opera Ballet Vlaanderen om het Nederlands als zangtaal te gebruiken in meerdere producties helemaal geen identitair, nationalistisch gebaar, integendeel: het is eerder een kritische daad. Niet de aloude bescherming van ‘onze taal’ staat daarbij centraal, maar de vraag welke verhalen we ermee blijven vertellen, en wie daarin als vanzelfsprekend thuishoort.
Misschien is dat vandaag de taak van de Vlaamse cultuursmid: geen zuiver staal smeden, maar telkens opnieuw een nieuw allooi, dat Vlaanderen ruimer, menselijker en eerlijker maakt
Vlaanderen heeft altijd bestaan vanuit meertaligheid, culturele meervoudigheid en verbondenheid met andere werelden. Cultureel gezien zijn we allemaal bastaarden. Precies daarin schuilt de mogelijkheid tot internationale solidariteit en radicaal humanisme. Zoals de Indiase schrijver Amitav Ghosh schrijft, hebben we daarvoor nieuwe verhalen nodig om los te breken uit de ideologische kooien van nationalisme, kolonialisme en kapitalisme (en de daarmee gepaard gaande ecologische vernietiging).
Opera kan zo’n ruimte proberen openen. Niet om Vlaanderen als begrensd gebied en reine cultuur te bevestigen, maar om het telkens weer opnieuw te denken. Misschien is dat vandaag de taak van de Vlaamse cultuursmid: geen zuiver staal smeden, maar telkens opnieuw een nieuw allooi, dat Vlaanderen ruimer, menselijker en eerlijker maakt.
Wie is Sibo Kanobana?
Sibo Kanobana is hoofddocent sociolinguïstiek en postkoloniale theorie aan de Open Universiteit. Hij is samensteller van de essaybundel Zwarte bladzijden. Afro-Belgische reflecties op Vlaamse (post)koloniale literatuur (2021) en auteur van Witte orde. Over ras, klasse en witheid (2024) en Lumumba’s droom. Wat zijn gedachtegoed ons vandaag kan leren (2025). Hij was redacteur bij rekto:verso van 2016 tot 2024 en maakte deel uit van de gastredactie van het nummer Tervurologie (juni 2025). Hij schreef deze column op uitnodiging van Opera Ballet Vlaanderen, als reflectie bij de opera Der Schmied von Gent.
Antwerpen | Brugge
Lucifer en De Schelde
FC Bergman / Peter Benoit